februari

VERWARRENDE VERWANTEN

 

zweren – zwoer – gezworen zweren – zwoor/zweerde – gezworen
een eed afleggen 

Hij zwoer met de hand op zijn hart dat hij de waarheid sprak.

een zweer vertonen 

Zijn vinger zweert.

 

scheppen – schiep – geschapen scheppen – schepte – geschept
maken, voortbrengen uit het niets 

God schiep de hemel en de aarde.

iets verplaatsen, ergens op of in doen 

Vader schepte zand in de kruiwagen.

 

slaan – sloeg – geslagen slagen – slaagde – geslaagd
slagen toebrengen 

Uit pure frustratie sloeg hij met zijn vuist tegen de muur.

zijn doel bereiken, succes hebben 

Het was een geslaagd feest.

Hij is met grote onderscheiding geslaagd.

Slideshow by webdesign